Welke vissen kan ik vangen?

In de vijvers en kanalen in onze omgeving kunnen we verschillende vissen vangen. De meeste voorkomende vissen zijn hieronder genoemd.

Blankvoorn

Voor de meeste vissers is de blankvoorn een goede bekende. Dat geldt zeker voor de jeugdige hengelaars. Vrijwel iedere visser begint met het vissen op “witjes”, met als hoofdmoot de blankvoorn. Niet zo vreemd overigens: de blankvoorn is vrij gemakkelijk vangbaar. Bovendien is het vissen op blankvoorn al mogelijk met een eenvoudige hengeluitrusting. De blankvoorn biedt hierdoor een goede gelegenheid kennis te maken met de hengelsport. Maar ook na die eerste kennismaking is voor veel hengelaars de blankvoorn de meest gewaardeerde vis gebleven.

Herkenning
De herkenning van de blankvoorn levert vaak problemen op. In ons land komen namelijk verschillende vissoorten voor die sterk op de blankvoorn lijken. Het zijn de ruisvoorn, de winde, de alver en de serpeling die we met de blankvoorn kunnen verwarren. Toch zijn er een aantal uiterlijke kenmerken waaraan we de blankvoorn goed kunnen herkennen. Een belangrijk kenmerk is de plaats van de rugvin ten opzichte van de plaats van de buikvinnen. Van opzij gezien begint de rugvin van de blankvoorn recht boven de buikvinnen. Bij de ruisvoorn, de alver en de winde staat de rugvin duidelijk achter de inplanting van de buikvinnen.
Een ander onderscheidingskenmerk is de oranje-rode vlek boven in het oog van de blankvoorn.
De kleur van de blankvoorn is geen bruikbaar onderscheidingskenmerk; die varieert met de kleur van zijn omgeving. De bek van de blankvoorn wijst recht naar voren, zodat we hier te maken hebben met een eindstandige bek. En voor de liefhebbers: op de zijlijn van de blankvoorn liggen in de regel 42-45 schubben.

Voedsel
De blankvoorn is een echte alleseter. Zo leeft hij van allerlei soorten dierlijk en plantaardig plankton, wormpjes, insektenlarven en slakjes. Maar ook kleine driehoeksmosselen en zachte waterplanten. zoals waterpest, staan op zijn menu.
Blankvoorns kunnen soms een uitgesproken voedselvoorkeur hebben. Deze zogenaamde “voedselspecialisten” leven van één type voedsel. Meestal azen zij op zoetwatermosseltjes. De vissen vermalen de mosselen met hun inwendige keeltanden. Doorgaans is het aanbod van zoetwatermosselen gering. In een bepaald water zijn dan maar enkele blankvoorns gespecialiseerd in dit voedsel. Wel behoren deze exemplaren tot de grotere blankvoorns die er in dat water aanwezig zijn. Vaak zijn ze te vinden boven de mosselbanken, evenals bijvoorbeeld de snoekbaars die op zijn beurt de voorn weer belaagt..

Ruisvoorn of Rietvoorn

In ondiepe en vaak plantenrijke wateren voelt één van onze mooiste zoetwatervissen, de ruisvoorn, zich bijzonder goed thuis. Het is een mooie vis om te zien, en wanneer je een grote aan de haak hebt, is het ook best een sterke vis. De belangstelling voor de ruisvoorn is daarom best wel groot.

Herkenning
De ruisvoorn – ook wel rietvoorn genoemd – draagt de wetenschappelijke naam Scardinius erythrophthalmus. Erythrophthalmus betekent in het Latijn roodoogig. Een verwarrende naam, omdat juist zijn familielid de blankvoorn (Rutilus rutilus) een rode vlek in het oog heeft. De ruisvoorn zelf heeft meer goudkleurige ogen. Veel hardere onderscheidingskenmerken dan de kleur van de ogen zijn de plaats van de rugvin en de stand van de bek.
Bekijkt men een ruisvoorn van opzij, dan is de rugvin verachter de buikvinnen ingeplant. Bij de blankvoorn daarentegen staan de rugvin en de buikvinnen bijna recht boven elkaar. De ruisvoorn heeft een bovenstandige bek, dit wil zeggen dat de bekspleet schuin naar boven is gericht. De blankvoorn heeft een bek, die recht naar voren wijst (eindstandig). Opvallend bij de ruisvoorn zijn verder de vrij grote stevige schubben en de vuurrode kleur van de buikvinnen, anaalvin en staartvin. Grotere exemplaren van de ruisvoorn zijn ten slotte over het algemeen hoger van vorm dan blankvoorns van dezelfde afmeting.

Voedsel
Het voedsel van jonge ruisvoorntjes bestaat grotendeels uit ééncellige algjes, die van waterplanten worden afgegraasd Ook eten ze plantaardig plankton, dat zwevend in het water voorkomt. Vanaf een lengte van ongeveer één cm beginnen de ruisvoorntjes meer en meer interesse te krijgen in fijn dierlijk plankton, zoals roeipootkreeftjes. In dit stadium eet ruisvoornbroed vrijwel hetzelfde voedsel als brasem- en blankvoornbroed. Dit wordt anders in de loop van juli en augustus: de blankvoorntjes en brasempjes trekken dan uit de oeverzone weg op zoek naar grof plankton (o.a. watervlooien) en kleinere bodemdiertjes (o.a. muggenlarven). Ruisvoorns blijven daarentegen gedurende het gehele eerste levensjaar in de begroeide oeverzone. In de daarop volgende jaren verandert dat maar weinig. Ook dan houdt de ruisvoorn zich bij voorkeur op in het heldere, ondiepe water in of nabij de waterplantenbegroeiing. Volwassen ruisvoorns voeden zich gedeeltelijk met draadalgen en zachte waterplanten, zoals waterpest en fonteinkruiden. Een ander belangrijk onderdeel van hun menu vormen de in het water levende larven van insekten, zoals schietmotten (kokerjuffers) en muggen. De ruisvoorn zoekt zijn voedsel bij voorkeur in de bovenste waterlagen. Zijn bovenstandige bek is daar uitstekend voor geschikt. Onder ideale omstandigheden kan de ruisvoorn doorgroeien tot zo’n 40 cm bij een gewicht van één kilogram. De meeste sportvissers zullen echter met exemplaren van rond de 30 cm al dik tevreden zijn.

Kolblei

Een andere mooie vis om te vangen is de kolblei. Door vele vissers wordt hij soms aangezien voor een voorn of een kleine brasem.

Herkenning
De kolblei is lichter dan een brasem en is te herkennen aan de rode basis van de borstvinnen. Ook is de kop stomper en het oog is relatief groot ten opzichte van de stompe snuit. Bij heel jonge exemplaren is dat kenmerk nog niet bruikbaar en kun je het beste de schubben tussen rugvin en zijlijn tellen. Een kolblei heeft daar 9 tot 10 schubben en een brasem 11 tot 13. Het best is dit te beoordelen door een scherpe digitale foto te maken. Het schubbentellen is op die manier wat diervriendelijker en makkelijker. De kolblei wordt minder groot dan de brasem, hooguit 45 centimeter in de grote rivieren. In het spraakgebruik worden jonge brasems vaak bliek genoemd. Dit is echter ook de bijnaam van een kolblei.

Voedsel
De kolblei is een bodemvis die voornamelijk van kleine kreeftachtigen, waterplanten, slakjes en algen. De kolblei heeft in zijn omgeving waterplanten nodig, met name voor de paai. De kolblei komt in geheel Nederland voor. Kruisingen met de brasem zijn niet zeldzaam. De maximale leeftijd ligt rond de 10 jaar. Een grote vis is een kolblei van 30 centimeter. Een kolblei van 35 centimeter mag een specimen exemplaar genoemd worden. De maximale afmeting is 40 centimeter.

Grondeling

Herkenning:
De bek is onderstandig. Er zijn 2 bekdraden aanwezig, 1 in elke hoek van bek. Verwarring is mogelijk met de uitheemse witvingrondel. 3. Op de zijlijn liggen 38 – 44 schubben.

Verspreiding
Algemeen. Komt niet alleen voor in rivieren, maar ook plaatselijk in diverse stilstaande wateren en vijvers. Deze vis vang je snel langs de oevers van de vijvers.

Voedsel
Hoofdzakelijk insectenlarven en wormpjes.

Brasem

De brasem is bij vissend Nederland vaak het onderwerp van gesprek. De toon van dergelijke gesprekken is voor de brasem lang niet altijd even positief. Hengelaars mopperen over “verbraseming”, “luie dweilen” en “scheermessen”. Beroepsvissers klagen over hun aalopbrengsten en wijzen met een beschuldigende vinger naar voedselconcurrentie door de brasem. Sinds enige tijd kijken ook waterkwaliteitsbeheerders met belangstelling naar de brasem, omdat zeer dichte brasemstanden bijdragen aan de troebeling van het Nederlandse oppervlaktewater. Kortom, figuurlijk gesproken lijken velen het met de brasem aan de stok te hebben. AI zijn er juist ook velen die de brasem graag aan de stok hebben: hengelaars voor wie een fiere “opsteker” visplezier betekent, en een langzaam wegzakkende pen de dagelijkse zorgen even doet vergeten…

Herkenning
De herkenning van de brasem levert doorgaans weinig problemen op. De vis is tamelijk hoog – de hoogte bedraagt circa 1/3 van de lichaamslengte. De bek is tamelijk fors en uitstulpbaar. Verder valt de driehoekige rugvin op, die net als de andere vinnen vuilgrijs of roze-grijs is gekleurd. De anaalvin is langgerekt. De grotere exemplaren van de brasem zijn bruin- tot bronskleurig, de kleinere zilverkleurig. Eigenlijk is de brasem maar met één andere vissoort te verwarren en dat is de kolblei. Er zijn twee duidelijke onderscheidingskenmerken. Allereerst het oog. Om precies te zijn is de diameter van het oog van de brasem, kleiner dan de afstand tussen de punt van de bek en de voorste rand van het oog. Bij de kolblei is de diameter van het oog groter dan de afstand tussen de punt van de bek en de voorste rand van het oog. Het tweede onderscheidingskenmerk betreft het aantal schubben tussen de zijlijn en de voorkant van de rugvin. Tellen we het aantal schubben in de dwarsrichting van de zijlijn naar de rug, dan komen we bij de brasem uit op 12 -14 schubben, bij de kolblei op 8 – 10 schubben.

Voedsel en groei
Na het verteren van de dooierzak, voeden de larfjes zich met dierlijk plankton, soms afgewisseld met algen. Brasem van twee jaar en ouder heeft meer een voorkeur voor bodemorganismen: muggenlarven, wormpjes, mosseltjes en slakjes.0ok de aal eet deze diertjes graag. Als er zoveel brasems zijn dat er voor de aal niet meer voldoende voorkeursvoedsel aanwezig is, is er sprake van voedselconcurrentie. Door de uitstulpbare bek kunnen brasems diep in de bodem wroeten om voedsel te bemachtigen. Met de goed ontwikkelde kieuwzeef wordt het voedsel uit het bodemmateriaal gefilterd. De grotere brasems versmaden dierlijk plankton zoals watervlooien niet. Dat kan in geval van een dichte brasemstand gevolgen hebben voor de helderheid van het water. Watervlooien eten namelijk algen en als er door een tekort aan watervlooien te weinig algen worden opgegeten, wordt het water troebel. Algen zijn troebelmakers bij uitstek! Veel brasem betekent dan ook weinig watervlooien, veel algen en troebel water.
De groeisnelheid van de brasem is – net zoals bij vele andere vissoorten – afhankelijk van het aantal brasems dat in een water rondzwemt. Bij een gemiddelde groei zal een driejarige brasem ongeveer 20 cm groot zijn en een negenjarige brasem rond de 40 cm. De meeste vermeste, algenrijke wateren kennen een dichte brasemstand. De brasems groeien dan langzaam en zijn vatbaar voor ziektes. In zo’n situatie kan het voorkomen dat een negenjarige brasem nauwelijks de 20 cm haalt. Niettemin planten ook deze brasems zich voort, waardoor de brasemstand dichter en de groei steeds langzamer wordt. In zo’n situatie spreekt men van verbraseming.

Zeelt

Een spoor van belletjes aan het wateroppervlak… Daarmee verraadt een zeelt zijn verborgen bestaan temidden van een weelderige waterplantenbegroeiing. Die waterplanten kunnen het hengelen op deze vissoort trouwens behoorlijk in de weg staan. Typische zeeltwateren zijn door het afsterven van de waterplanten als gevolg van watervervuiling zeldzaam geworden. Ook de zeelt kom je daarom wat minder tegen dan vroeger. Deze vis lijkt een beetje in het vergeetboek te zijn geraakt. Nu er volop gewerkt wordt aan de terugkeer van helder water met waterplanten, krijgt ook de zeelt weer meer aandacht.

Tinca Tinca
De zeelt (Tinca tinca) behoort tot de Familie van de Karpers (Cyprinidae). De soort komt al miljoenen jaren voor in grote delen van Europa en in Siberië. Vanaf de vorige eeuw zijn zeelten op grote schaal uitgezet op plaatsen buiten het natuurlijke verspreidingsgebied. Tegenwoordig kent men de zeelt daardoor in vrijwel alle werelddelen. Een bijnaam van de zeelt is ‘doktersvis’. Er bestaat namelijk een oud volksgeloof dat andere vissen van ziekten en kwalen herstellen door zich tegen de zeelt aan te wrijven. In de Middeleeuwse geneeskunde gold de zeelt ook als een werkzaam middel tegen allerlei menselijke kwalen zoals hoofdpijn, galstenen, ingewandwormen, jicht, geelzucht en oorontsteking.

Herkenning
In glibberigheid doet de zeelt niet veel onder voor de aal. De dikke slijmlaag en de zeer kleine schubben maken het zwemmen tussen waterplanten en takken voor de zeelt gemakkelijker. De bruine tot olijfgroene kleur van de rugzijde is een ideale camouflagekleur tussen de waterplanten en in de modder. De buikzijde is geelachtig, terwijl de vinnen altijd donker van kleur blijven. De lichaamscellen vlak onder de huid bevatten een mengsel van zwarte, rode en gele kleurstoffen. De samenstelling van het kleurstofmengsel kan verschillen al naar gelang de leeftijd, de tijd van het jaar en de leefomgeving. Zeelten komen dan ook voor in tinten van geelgroen tot prachtig goudkleurig en van bruin tot diepzwart. De zeelt maakt een gedrongen, krachtige indruk. Ook de stevige bolronde vinnen, de iets ingesneden staartvin en de dikke en hoge staartwortel zijn de eigenschappen van een ware krachtpatser. Zeeltmannetjes zijn doorgaans slanker van bouw en minder zwaar dan vrouwtjes. Bovendien bezitten de mannetjes forsere en spitsere buikvinnen. De slurfvormige bek met dikke vlezige lippen staat aan het einde van de stompe kop. In de bekhoeken zitten twee korte bekdraden De opvallend heldere oranje-rode ogen zijn vrij klein; als vis van het halfdonker gaat hij niet zozeer op zijn ogen af, maar veel mee op andere zintuigen.

Zeeltwateren
Zeelten zijn vooral te vinden in stilstaande wateren met veel waterplanten en een zachte modderbodem. Voorbeelden zijn afwateringssloten, laagveenplassen en dode rivierarmen. Diepe en stromende wateren stelt Tinca minder op prijs. De zeelt is dus vrij kieskeurig als het gaat om het woongebied. Dat woongebied mag overigens wel heel klein zijn. Daarentegen kan deze vissoort allerlei barre leefomstandigheden vaak beter het hoofd bieden dan andere vissen. De zeelt gedijt als echte ‘zomervis’ het beste in tamelijk warm water (rond de 24°C). In heel zure (pH van 4 tot 5,5) of heel ‘alkalische’ wateren (pH meer dan 9), waar andere vissen het loodje leggen, kunnen zeelten nog stand houden. De zeelt komt ook voor in sommige brakke kustwateren. Daaruit blijkt wel dat deze zoetwatervis een vrij hoog zoutgehalte van het water goed kan verdragen.
Als het zuurstofgehalte daalt, kan de zeelt extra zuurstof opnemer via de huid. Soms komt hij aan zuurstof door luchtte happen aar het oppervlak. Zo kunnen deze volhouders dikwijls overleven in wateren waar andere soorten vissen door zuurstofgebrek sterven.

Voedsel
De zeelt vindt zijn voedsel vooral bij en in de bodem en tussen de waterplanten. Zowel planktondiertjes (watervlooien), slakjes, mosseltjes, wormpjes, kleine kreeftachtigen (vooral waterpissebedden) en insektelarven als levend en dood plantenmateriaal staan op het menu. De zeelt eet eigenlijk vooral wat de pot schaft. Omdat het voedselaanbod sterk wisselt met het jaargetijde en met de omgeving, is ook het dagelijkse maal van de zeelt zeer wisselend. Maar enige voorkeur voor bepaalde soorten slakken, vooral voor de diepslak (Bithynia tentaculata), ook wel ‘zeeltslakje’ genoemd, valt toch wel te bespeuren. Vaak wordt een voedseldeeltje gekeurd door het enige malen achter elkaar in de bek te nemen en weer uit te spuwen. De smaak- en tastzintuigen~zitten namelijk vooral in de bek. Pas als de smaak bevalt wordt het voedsel ingeslikt. Slakken, mossels en ander hard voedsel worden door de zeelt moeiteloos tussen de twee rijen keeltanden achter in de bek gekraakt en tot een brei vermalen.

Karper

Voor een niet onaanzienlijk aantal hengelaars betekent een mooie karpervangst een hoogtepunt in hun liefhebberij. Geen wonder, de karper kan aantrekkelijke afmetingen bereiken en is aan de hengel een tegenstander van formaat. Vooral om deze redenen is de karper een ‘gewilde’ vissoort. Toch is de karper geen gemakkelijke vis: niet om te vangen en niet om te beheren! Daarom willen we de karper eens voor het voetlicht halen.

Herkenning
De herkenning van de karper hoeft niet veel problemen op te leveren. Zeer kenmerkend zijn vooral de twee bekdraden aan de bovenlip en de twee bekdraden in de hoeken van de grote, uitstulpbare bek. Hiermee onderscheidt de karper zich van een groot aantal familieleden zoals de kroeskarper, de giebel, de graskarper, de kopvoorn en de winde. Opvallend aan de karper is verder de lange, hol ingesneden rugvin. De voorste vinstraal van die rugvin is hard en getand. Er bestaan veel variaties in het beschubbingspatroon van de karper. Naast schubkarpers (volledig beschubd) bestaan er ook spiegelkarpers (enkele grote, onregelmatig geplaatste schubben). Veel minder algemeen zijn de rijenkarper (een rij grote schubben op de zijlijn) en de naaktkarper (schubben ontbreken geheel). De karper kent ook kleurvariëteiten, zoals de goudkarper en de Koi-karper. AI deze variëteiten zijn geen verschillende soorten. Zij behoren alle tot de soort karper die de wetenschappelijke naam Cyprinus carpio draagt. De verschillende variëteiten zijn ontstaan door het kweken van de karper voor de consumptie en als siervis. De bemoeienis van de mens met de karperkweek gaat terug tot de bloeitijd van het Romeinse Rijk.

Gedrag
Karper is een liefhebber van hoge watertemperaturen. Daarom is deze vis vooral in de zomermaanden actief. Rietkragen, bedden van gele plomp en waterlelie, zijn in die periode favoriete pleisterplaatsen. Maar ook zoekt de karper voedsel bij beschoeiingen, dukdalven en andere obstakels in het water. Meestal leven zij in kleine groepjes bij elkaar. Als het stil, warm weer is, ‘hangen’ de karpers graag vlak onder het wateroppervlak. Naarmate in de herfst en de winter de watertemperatuur daalt, zoeken zij de diepere watergedeelten op. De karpers concentreren zich dan in grotere groepen, worden passiever en eten nog maar mondjesmaat. De stijgende watertemperatuur in het voorjaar zet hen weer aan tot de trek naar de ondiepe, begroeide oeverzone.

Voedsel
De karper is niet kieskeurig. Hoewel hij bij uitzondering wel eens wat plantenmateriaal eet, hebben diertjes zijn voorkeur. Vooral insektelarven, maar ook slakken, zoetwatermosselen, wormpjes en kreeftachtigen versmaadt de karper niet. Een goed ontwikkeld reuk- en smaakvermogen wijzen hem de weg naar het voedsel. Met de uitstulpbare bek neemt de karper dan telkens een hap bodemmateriaal op. Vaak komen daarbij gasbelletjes vrij die zijn aanwezigheid verraden. Het voedsel wordt uitgezeefd, schoon gewassen, eventueel fijngemaakt met de keeltanden en vervolgens doorgeslikt. Modder, slib en ander niet-eetbaar materiaal, ‘wolkt’ de karper naar buiten via de bek en de kieuwen. Als er veel karpers aanwezig zijn, dan kan dit aanleiding geven tot vertroebeling van het water. Dat is niet zo gunstig voor de vissen die zijn gesteld op helder water, zoals de snoek en de ruisvoorn. Als de omstandigheden goed zijn, met name bij een groot voedselaanbod, kan de karper grote afmetingen bereiken. Een lengte boven de 80 cm en een gewicht boven de 10 kilo behoren dan zeker tot de mogelijkheden.

Baars

De baars is een roofvis die in scholen leeft. Jonge baars tot een lengte van ongeveer 14 cm leeft van zoöplankton. Tussen de 10 cm en 15 cm eet de baars grotere waterdiertjes zoals aasgarnalen en vlokreeftjes. Tussen de 11 cm en 20 cm gaat de baars geleidelijk steeds meer vis eten. De baars kan tot 50 cm lang worden, maar meestal worden ze niet groter dan 35 cm. In veel wateren blijft de baars achter in de groei als gevolg van voedselgebrek, ze zien er dan donker uit.De baars is overal te vinden: in grote meren, vijvers, plassen, beekjes en in kanalen. Vis je met een pier of maden, dan zul je ook deze vis met regelmaat aan de haak kunnen krijgen.

Herkenning
De baars zal men niet gauw verwarren met een andere vissoort. Heel vaak herkent men de baars aan de zwarte, verticale strepen over het lichaam. Zeer kenmerkend is ook de inktzwarte vlek, die vrijwel altijd zichtbaar is op de achterzijde van de voorste rugvin. Deze rugvin draag een aantal stekels; een kenmerk dat we aantreffen bij alle vissoorten uit de Baarzenfamilie. In de volksmond wordt de baars daarom vaak ‘stekelbaars’ genoemd. Toch is dat een foutieve benaming, omdat de echte stekelbaarzen niet behoren tot de familie van de baars! Opvallend bij de baars is de huid die aanvoelt als schuurpapier. De kleuren van de baars kunnen van het ene water tot het andere water aanzienlijk variëren. Naast bronsgroen gekleurde exemplaren, met diep oranje-rood aangezette vinnen, komen ook meer bleke en donkere exemplaren voor.

Voedsel
Nadat de baars zich aanvankelijk voedt met plankton, komen daar later insektelarven zoals muggelarven bij. Ook kreeftachtigen zoals vlokreeften, aasgarnaaltjes en waterpissebedden staan op het menu van de jonge baars. Op latere leeftijd is de baars in staat om viste gaan eten. Het tijdstip waarop dit gebeurt, staat niet van tevoren vast. Soms voedt de baars zich al met vis bij een lengte van 6 cm. Maar vis is geen noodzaak: baars kan groot worden door uitsluitend insektelarven en vlokreeften te eten! Baars pakt vooral kleine prooivis. Baarzen boven de 25 cm eten prooivissen met een lengte die maximaal een vierde van de eigen lichaamslengte bedraagt. In de keuze van de soort prooivis is de baars evenals andere roofvissen weinig kieskeurig. Zo voedt de grotere baars zich op het IJsselmeer met de daar zeer talrijk voorkomende spiering en pos. In andere wateren worden met name blankvoorn, pos en kleine baars door de grotere baars gegeten.

Snoek

De snoek is de ultieme roofvis en een zeer gewaardeerde sportvis. Dit komt vooral door zijn formaat. De vrouwtjes kunnen 140 cm lang worden en de mannetjes maximaal 85 cm. De snoek heeft een voorkeur voor water met een gevarieerde begroeiing van oeverplanten en onderwaterplanten. De vis komt zelden meer dan een paar honderd meter uit de buurt van de begroeiing.
LET OP: Het vissen op snoek is wettelijk verboden in de maanden maart, april, mei en juni.

Herkenning
De snoek is gemakkelijk van de andere roofvissen te onderscheiden door de plaats van de anaal- en rugvin. Deze bevinden zich ver naar achteren op het lichaam. Een ander hard kenmerk van de snoek is de platte, brede bek. Op de kaken en op het verhemelte staan vele scherpe tandjes. Deze tandjes zijn naar achteren gericht, zodat een gegrepen prooi zich moeilijk kan loswerken.
Snoeken die zich tussen de waterplanten ophouden, hebben over het algemeen een schubbenkleed met groene kleurschakeringen en goudkleurige strepen. In de afwisseling van licht en schaduw tussen de waterplanten vallen zij daardoor nauwelijks op. De snoeken die zich in het open water ophouden, zijn over het algemeen getekend met bruintinten en goudkleurige stippen. In het onbegroeide water, waarin de invallende zonnestralen worden onderbroken door het golvende wateroppervlak, geeft dit een goede camouflage.

Waterplanten om te overleven
Vanaf een lengte van ongeveer 4 cm gaat het snoekje vis eten Het is dan 5 tot 6 weken oud. Zolang de snoekjes nog dierlijk plankton aten, konden ze in grote aantallen dicht bij elkaar leven Nu ze zich echter te goed gaan doen aan kleine visjes – en daarbij ook elkaar kunnen opvreten! -trekken ze uit de ondiep paaigebieden weg op zoek naar ruimte en dekking. Die vinden ze vooral tussen de dichte begroeiing met waterplanten, welke in de ondiepe gedeelten en in het algemeen in de oeverzone van een water wordt aangetroffen. Toch is ook dáár het verblijf niet zonder gevaar. Vroeg in het voorjaar is er nog geen witvisbroed (voorn en brasem) aanwezig Daarom moeten de eerste voorjaarssnoekjes het voor hu voedsel voornamelijk hebben van insectenlarven en van elkaar! Vele van hen vallen zo ten prooi aan even oude soortgenootjes. Pas wanneer later in het voorjaar het witvisbroed massaal aanwezig is, wordt dit kannibalisme minder. Hoeveel snoekjes er dat voorjaar uiteindelijk overblijven, vooral afhankelijk van de hoeveelheid waterplanten. Dáár vinden ze immers beschutting. Zonder waterplanten is de kans groot, dat de snoekjes elkaar voortijdig als prooi te pakken nemen. Veel waterplanten betekent daarentegen een kleine pakkans, omdat er veel schuilplaatsen voorhanden zijn. Het aantal snoekjes dat uiteindelijk overblijft, is ook afhankelijk van de vraat door oudere snoeken. Deze snoeken – tot zo’n 6 cm lengte – bevinden zich meestal ook tussen de waterplanten net als de eerstejaarssnoekjes. Naarmate er zich daar mee oudere snoeken bevinden, worden er ook meer eerstejaarssnoekjes weggevreten, zodat er minder overblijven. In de herfst, wanneer de waterplanten massaal afsterven, zijn er nog maar weinig schuilplaatsen voor de eerstejaarssnoekjes over. In die periode vallen ze dan in grote aantallen ten prooi aan hun oudere soortgenoten. De jonge snoekjes die aan al deze gevaren weten te ontsnappen gaan hun eerste winter in met een lengte variërend van 15 tot 35 cm. De groei in de tweede zomer zal bij de snoek meestal tot een lengte van 30 à 45 cm voeren. Ook dan zijn zij nog sterk gebonden aan de beschutting van de waterplanten. Door de aanwezigheid van grotere snoeken buiten de waterplantenzones trekken ze niet naar het open water. Toch is het zelfs tussen die waterplanten niet altijd pluis, want ook daar kunnen ze grotere soortgenoten tegenkomen. De groei in het derde en in volgende jaren lijkt vooral te worden bepaald door de mogelijkheden om de open onbegroeide gedeelten van het water te bevolken. Daar vinden ze voldoende prooivis die een goede groei mogelijk maakt. De kleinere snoeken trekken pas uit de waterplanten weg, wanneer er op het open water niet teveel snoeken van boven de circa 60 cm aanwezig zijn. Als de kleinere snoeken naar het open water kunnen, groeien ze in het derde en vierde levensjaar snel door naar afmetingen van 50 à 60 cm. Snoeken zijn volwassen als ze voor de eerste maal hebben gepaaid.
Op het open water kunnen mannetjessnoeken ongeveer 85 cm lang worden. Vrouwtjes groeien vanaf het derde levensjaar sneller dan mannetjes. Snoeken van één meter lengte of meer zijn vrijwel altijd vrouwtjes. Zij kunnen een maximale lengte van wel 140 cm bereiken.